denominator

50000

3823 record(s)
 
Type of resources
Metadata standard
standardName
Available actions
flanderskeyword
Provided by
status
Topics
Keywords
Contact for the resource
Years
Formats
protocol
domain
Representation types
Update frequencies
Scale 1:
INSPIRE themes
From 1 - 10 / 3823
  • Een diepteinterval is gekoppeld aan één of meerdere bodemkundige opbouwen. Een bodemkundige opbouw moet één of meer diepteintervallen hebben. Een diepteinterval beschrijft een gedeelte van de ondergrond van de gekoppelde bodemlocatie. Deze laatste bevat de locatie van de profielput of boring (X, Y, eventueel aangevuld met Z van het maaiveld), daar waar de diepteintervallen de bodem op die locatie beschrijven in de diepte. Een diepteinterval is een horizont of een laag (dit is het type). Een horizont is een visueel te onderscheiden deel van de bodem dat ontstaan is door omzetting van het moedermateriaal door pedogenetische processen of door het afzetten van organisch materiaal. Een horizont heeft voor de meeste bodemvariabelen homogene morfologische en analytische karakteristieken. Een laag daarentegen is niet ontstaan door pedogenetische processen. Dit type wordt minder vaak gebruikt, maar bv. wel in archeologische context of bij staalnamelagen bij bodemmonitoring. Elk diepteinterval heeft minstens één boven- en ondergrens die de diepte van de horizont of laag aangeeft. Als de grens minder duidelijk is of niet horizontaal loopt, kunnen ook twee boven- of ondergrenzen opgegeven worden. Het is mogelijk dat meerdere diepteintervallen van eenzelfde bodemlocatie elkaar in de diepte geheel of gedeeltelijk overlappen. In uitzonderlijke gevallen is het voor de invoer van historische gegevens mogelijk om diepteintervallen aan te maken zonder boven- of ondergrenzen.

  • Een bodemmonster is een staal van de bodem dat genomen wordt voor verdere analyse in het veld of in een labo. Een monster wordt steeds genomen op een bepaalde diepte (van/tot). Er kan optioneel een bepaalde techniek beschreven worden (bijvoorbeeld gestoord of ongestoord), evenals de condities van de monstername (bijvoorbeeld atmosferische condities, etc.). De resultaten van analyses uitgevoerd op het monster worden bewaard als observaties die gekoppeld worden aan het monster. Een monster kan eventueel gekoppeld worden met één of meer opdrachten en aan een monster kunnen ook bijlagen gekoppeld worden (bijvoorbeeld analyseresultaten of rapporten). Een bodemmonster is ofwel een enkelvoudig monster, ofwel een mengmonster (dit is het type). Een enkelvoudig monster is steeds gekoppeld aan één bodemlocatie of één diepteinterval. Een bodemlocatie of diepteinterval kan 0 of meer enkelvoudige monsters hebben. Een mengmonster kan gekoppeld worden aan één bodemsite, één bodemlocatie of één bodemdiepteinterval. Deze kunnen 0 of meer mengmonsters hebben.

  • Op basis van de regionale grondwaterstroming worden verschillende opeenvolgende HCOV's afgebakend die als één geheel worden beschouwd: de grondwatersystemen. De grenzen zijn gebaseerd op de fysische kenmerken van de grondwaterreservoirs (naast enkele gewest- en landsgrenzen). De systemen worden begrensd door duidelijke barrières voor de grondwaterstroming zoals dikke kleilagen, geologische begrenzing, sterk drainerende rivieren, verziltingsgrenzen, ... Er zijn zes grondwatersystemen: - het Kust- en Poldersysteem - het Centraal Vlaams Systeem - het Sokkelsysteem - het Maassysteem - het Centraal Kempisch Systeem - het Brulandkrijtssyteem

  • Op basis van de regionale grondwaterstroming worden verschillende opeenvolgende HCOV's afgebakend die als één geheel worden beschouwd: de grondwatersystemen. De grenzen zijn gebaseerd op de fysische kenmerken van de grondwaterreservoirs (naast enkele gewest- en landsgrenzen). De systemen worden begrensd door duidelijke barrières voor de grondwaterstroming zoals dikke kleilagen, geologische begrenzing, sterk drainerende rivieren, verziltingsgrenzen, ... Er zijn zes grondwatersystemen: - het Kust- en Poldersysteem - het Centraal Vlaams Systeem - het Sokkelsysteem - het Maassysteem - het Centraal Kempisch Systeem - het Brulandkrijtssyteem

  • Op basis van de regionale grondwaterstroming worden verschillende opeenvolgende HCOV's afgebakend die als één geheel worden beschouwd: de grondwatersystemen. De grenzen zijn gebaseerd op de fysische kenmerken van de grondwaterreservoirs (naast enkele gewest- en landsgrenzen). De systemen worden begrensd door duidelijke barrières voor de grondwaterstroming zoals dikke kleilagen, geologische begrenzing, sterk drainerende rivieren, verziltingsgrenzen, ... Er zijn zes grondwatersystemen: - het Kust- en Poldersysteem - het Centraal Vlaams Systeem - het Sokkelsysteem - het Maassysteem - het Centraal Kempisch Systeem - het Brulandkrijtssyteem

  • Op basis van de regionale grondwaterstroming worden verschillende opeenvolgende HCOV's afgebakend die als één geheel worden beschouwd: de grondwatersystemen. De grenzen zijn gebaseerd op de fysische kenmerken van de grondwaterreservoirs (naast enkele gewest- en landsgrenzen). De systemen worden begrensd door duidelijke barrières voor de grondwaterstroming zoals dikke kleilagen, geologische begrenzing, sterk drainerende rivieren, verziltingsgrenzen, ... Er zijn zes grondwatersystemen: - het Kust- en Poldersysteem - het Centraal Vlaams Systeem - het Sokkelsysteem - het Maassysteem - het Centraal Kempisch Systeem - het Brulandkrijtssyteem

  • Op basis van de regionale grondwaterstroming worden verschillende opeenvolgende HCOV's afgebakend die als één geheel worden beschouwd: de grondwatersystemen. De grenzen zijn gebaseerd op de fysische kenmerken van de grondwaterreservoirs (naast enkele gewest- en landsgrenzen). De systemen worden begrensd door duidelijke barrières voor de grondwaterstroming zoals dikke kleilagen, geologische begrenzing, sterk drainerende rivieren, verziltingsgrenzen, ... Er zijn zes grondwatersystemen: - het Kust- en Poldersysteem - het Centraal Vlaams Systeem - het Sokkelsysteem - het Maassysteem - het Centraal Kempisch Systeem - het Brulandkrijtssyteem

  • Meer informatie over de bodem op een bepaalde locatie wordt vaak verkregen door observaties. Er zijn twee soorten observaties: enkelvoudige en meervoudige observaties. In het eerste geval komt één parameter overeen met één meetwaarde; in het tweede geval met meerdere meetpunten en -waarden. Een enkelvoudige of meervoudige observatie is steeds gekoppeld aan één bodemlocatie, één diepteinterval, één bodemsite of één bodemmonster. Een bodemlocatie, bodemsite, diepte-interval of bodemmonster kan 0 of meer observaties hebben. Er zijn drie verschillende types enkelvoudige observaties: er wordt een onderscheid gemaakt tussen observaties van een numerieke waarde (dit zijn metingen), observaties met een vrije tekstwaarde (dit zijn waarnemingen) en observaties die gecategoriseerd worden via een keuzelijst (dit zijn gecodeerde observaties). Elk van deze enkelvoudige observaties wordt gekenmerkt door één parameter en één meetwaarde (hetzij numeriek, vrije tekst of een item uit een keuzelijst). Meervoudige observaties zijn reeksen van metingen – in dit geval wordt één parameter beschreven door meerdere numerieke meetwaarden. Observaties die gekoppeld worden aan een diepteinterval of bodemmonster gelden altijd voor de volledige diepte van dit diepteinterval of monster. Observaties gekoppeld aan een bodemlocatie of een bodemsite kunnen 0, één of twee dieptes hebben voor respectievelijk observaties onafhankelijk van de diepte, observaties op een bepaalde diepte of in een bepaald interval. Observaties kunnen optioneel gekoppeld worden met een observatiemethode, die de methode beschrijft waarmee de waarde bepaald werd, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de procedure of norm die gevolgd werd.

  • Op basis van de regionale grondwaterstroming worden verschillende opeenvolgende HCOV's afgebakend die als één geheel worden beschouwd: de grondwatersystemen. De grenzen zijn gebaseerd op de fysische kenmerken van de grondwaterreservoirs (naast enkele gewest- en landsgrenzen). De systemen worden begrensd door duidelijke barrières voor de grondwaterstroming zoals dikke kleilagen, geologische begrenzing, sterk drainerende rivieren, verziltingsgrenzen, ... Er zijn zes grondwatersystemen: - het Kust- en Poldersysteem - het Centraal Vlaams Systeem - het Sokkelsysteem - het Maassysteem - het Centraal Kempisch Systeem - het Brulandkrijtssyteem

  • Om het grondwater te kunnen beheren is de Vlaamse ondergrond opgedeeld in verschillende driedimensionale eenheden: de grondwaterlichamen. Binnen deze grondwaterlichamen worden milieudoelstellingen getoetst en indien nodig maatregelen opgelegd. De afbakening van grondwaterlichamen is verplicht gesteld in de Europese Kaderrichtlijn Water 2000/60/EG. Een grondwaterlichaam wordt hierin gedefinieerd als "een afzonderlijke watermassa in een of meer watervoerende lagen". De indeling van de ondergrond in verschillende grondwaterlichamen is voornamelijk gebaseerd op de fysische kenmerken van de grondwaterreservoirs en op de regionale grondwaterstroming. De opeenvolging van watervoerende (zand, grind, krijt, vast gesteente, ...) en regionaal voorkomende niet-watervoerende lagen (klei, ...) en het voorkomen van duidelijke barrieres voor de grondwaterstroming (dikke kleilagen, breuken, grondwaterscheidingen, sterk drainerende rivieren, verziltingsgrenzen, ...) vormen de belangrijkste uitgangspunten. Er werd voor de afbakening van de grondwaterlichamen dan ook uitgegaan van de Hydrogeologische Codering van de Ondergrond van Vlaanderen (HCOV-codering) en van de indeling van de ondergrond van Vlaanderen in grondwatersystemen. De grondwaterlichamen zijn driedimensionaal en kunnen zowel naast elkaar als boven elkaar voorkomen. In totaal zijn er 42 grondwaterlichamen. Ze verschillen onderling zeer sterk: * oppervlakte van 50 km^2 tot 6000 km^2 * dikte van 20m tot 1000m * Kh van 0,000005 tot 2300 m/dag * van zoet tot zout * opgebouwd uit voornamelijk kalksteen, zand, grind, veen, silt, ... * ... De grondwaterlichamen hebben zowel een naam als een code. De code is als volgt opgebouwd: De naamgeving van een grondwaterlichaam is steeds gebaseerd op de HCOV-code van de belangrijkste watervoerende laag. Elk grondwaterlichaam heeft eveneens een betekenisvolle code "GWS_HCOV_GWL_NR" meegekregen. De code bestaat uit een afkorting van het grondwatersysteem waarin het grondwater-lichaam gelegen is (bijvoorbeeld CVS, Centraal Vlaams Systeem), gevolgd door de HCOV-code, die overeenstemt met een belangrijkste watervoerende laag (bijvoorbeeld 0600 staat voor het Ledo-Paniseliaan-Brusseliaan Aquifersysteem). Dan wordt de afkorting "GWL" toegevoegd, waarna een volgnummer NR wijst op de verdere ruimtelijke indeling van de watervoerende laag in verschillende regio's. Tenslotte werd in sommige gevallen de letter "s" en "m" toegevoegd, waarmee wordt aangegeven dat een grondwaterlichaam werd opgesplitst in een deel dat enerzijds in Scheldedistrict of anderzijds in het Maasdistrict te situeren is. Om het driedimensionale aspect van de grondwaterlichamen te helpen verduidelijken werden deze opgesplitst in horizonten, i.e. de volgorde waarop de grondwaterlichamen in de diepte voorkomen. Op een gegeven plaats komt elk grondwaterlichaam maximum in één horizont voor en komt er in elke horizont maximum één grondwaterlichaam voor. "1" betekent dat het grondwaterlichaam bovenaan voorkomt, "2" dat het als tweede grondwaterlichaam voorkomt, "3" als derde,... Andersom kan gezegd worden dat er 4 grondwaterlichamen boven een grondwaterlichaam met horizont "5" voorkomen.