Resolution

100 m

27 record(s)
 
Type of resources
Available actions
flanderskeyword
Provided by
status
Topics
Keywords
License
Contact for the resource
Years
Formats
Representation types
Update frequencies
Scale 1:
Resolution
INSPIRE themes
From 1 - 10 / 27
  • De kansenkaart ‘ruimtelijk rendement verhogen voor gemengde omgevingen’ visualiseert Vlaanderenbreed informatie over geschikte locaties voor de verhoging van het ruimtelijke rendement, zoals bedoeld in de strategische visie Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV). De kansenkaart is een kennisbasis die voor beleidsvoorbereiding ingezet kan worden. De kansenkaart toont vanuit een cartografische invalshoek de geschiktheid van een locatie voor rendementsverhoging binnen het bestaand ruimtebeslag en uitsluitend vanuit een Vlaams perspectief. Het is evident dat het gebruik in combinatie moet gebeuren met andere beleidselementen uit het BRV. Bovendien moet ieder rendementverhogend initiatief op maat van de omgeving gebeuren, waarbij rekening dient te worden houden met lokale context, leefomgevingskwaliteit, enzovoort. De kansenkaart maakt abstractie van juridisch-planologische bestemmingszones en beschermingen (of vaststellingen) van erfgoedwaarden. Deze kansenkaart geldt voor de (her-)ontwikkeling van gemengde omgevingen. Dit wil zeggen bestaand ruimtebeslag waarin een mix van wonen, werken, voorzieningen enz. wordt gerealiseerd. De kansenkaart is niet inzetbaar voor bedrijventerreinen of andere ‘monofunctionele’ inplantingen, of bijzondere functies (bijvoorbeeld een energiecentrale, een motorcrossterrein enz.). Deze kansenkaart geeft potenties weer via een score op een quasi continue schaal. De scoring gebeurt aan de hand van een GIS-verwerking, waarbij verschillende ruimtelijke criteria met elkaar gecombineerd worden. Deze ruimtelijke criteria zijn een vertaling van een weloverwogen selectie van ontwikkelingsprincipes uit de strategische visie BRV die van tel zijn voor de locatiekeuze van gemengde omgevingen voor wonen, werken en voorzieningen. Deze ontwikkelingsprincipes zijn gecombineerd in een afwegingsdiagram dat de leidraad vormt voor het opstellen van de kansenkaart. De kansenkaart ‘ruimtelijk rendement verhogen voor gemengde omgevingen’ is opgesteld onder de vorm van een rastervormig GIS-bestand en is grotendeels uitgewerkt op een resolutie van 10x10m. Alle gebruikte kaartlagen worden hiervoor verrasterd naar een resolutie van 10x10m en met elkaar gecombineerd. In een finale verwerkingsstap wordt de kansenkaart teruggebracht tot een rastervormige GIS-laag met een resolutie van 1ha door het uitmiddelen van de originele rastercellen op 10x10m resolutie. De finale kansenkaart kan dus helpen om een uitspraak te doen over het verhogen van ruimtelijk rendement binnen het bestaande ruimtebeslag en dit op een detailniveau van 1ha. Alle details over de methode van opmaak van dit product zijn raadpleegbaar in het technisch rapport: Poelmans Lien, Hambsch Lorenz, Willems Peter, Mertens Geert (2021), Kansenkaart ruimtelijk rendement verhogen & kansenkaart ruimtelijk uitbreiden voor gemengde omgevingen – Technische beschrijving. ( https://archief-algemeen.omgeving.vlaanderen.be/xmlui/bitstream/handle/acd/284242/BeschrijvingKansenkaarten.pdf) Deze kansenkaart werd samengesteld met gebruik van de meest recente en best beschikbare kaartlagen die begin 2020 voorhanden waren. Niettemin geven de meest dominante inputdata (met name die van de OV-knooppunten en de voorzieningen) de toestand in 2015 weer. Het is evident dat een kansenkaart die gebaseerd is op evoluerende parameters, op zich ook dynamisch van aard is. Zo kan een update ervan ook rekening houden met toekomstige knooppunten, een veranderde waardering van elementen in het fysisch systeem, een wijzigend voorzieningenaanbod of openbaar vervoersaanbod enz.

  • Gebiedsdekkende kaart van de Gezondheid Effecten Screening score (GES) van hittestress in Vlaanderen. De indicator is gebaseerd op het aantal hittegolfgraaddagen (°C.dag) in Vlaanderen in het jaar 2003, gemodelleerd voor de Vlaamse milieumaatschappij (2018). De indicator hittegolfgraaddag (HGD) geeft aan waar en met hoeveel graden Celsius de drempelwaarden voor minimum en maximum temperaturen (respectievelijk 18.2°C en 29.6°C), aangegeven door de FOD Volksgezondheid, worden overschreden. Per locatie wordt het aantal hittegolfgraaddagen opgeteld voor alle dagen van het jaar 2003. Voor het aanmaken van de GES-kaart maken we gebruik van de HGD kaart van 2003, een erg warm jaar dat ook als referentie wordt gebruikt in de studie van de Vlaamse milieumaatschappij (2018). Er is geopteerd om te werken met de kaart voor een extreem jaar in plaats van een jaargemiddelde kaart, omdat de gezondheidsproblemen zich voornamelijk voordoen tijdens dit soort zomers, en op die manier de potentiële probleemlocaties goed in beeld worden gebracht en niet worden onderschat. De GES klassen werden op deze manier gedefinieerd: GES 2 = 0 - 20 (°C.dag) = "redelijk" ; GES 3 = 20 - 30 (°C.dag) = "vrij matig" ; GES 4 = 30 - 40 (°C.dag) = "matig" ; GES 5 = 40 - 60 (°C.dag) = "zeer matig" ; GES 6 = 60 - 80 (°C.dag) ="onvoldoende"; GES 7 = 80-100 (°C.dag) = "ruim onvoldoende"; GES 8 > 100 (°C.dag) = "zeer onvoldoende". GES 6 komt overeen met minstens 60 hitteggolfgraaddagen, een waarde die zich in Antwerpen voor doet in het jaar 2003 en waarvan geweten is dat er veel slachtoffers vielen als gevolg van hittestress. ook een lager aantal hittegolfgraaddagen heeft echter negatieve effecten op de gezondheid. De kaart kan gebruikt worden om potentiële probleemgebieden voor hittestress in Vlaanderen te detecteren. Naast luchttemperatuur zijn echter ook stralingsbelasting (zowel kortgolvig als langgolvig), luchtvochtigheid en windsnelheid belangrijke factoren in het bepalen van hittestress en humaan thermisch comfort. De modellering houdt hiermee geen rekening. Lokaal kan de werkelijk ervaren hittestress dus hoger (bijvoorbeeld door lokale straling afkomstig van bijvoorbeeld beton- of asfaltverharding) of lager (bijvoorbeeld omwille van schaduw door bomen) zijn.

  • Deze kaart geeft voor iedere 10m-cel binnen het Vlaamse Gewest een aanduiding of deze wel of niet behoort tot het ruimtebeslag, en dit voor referentiejaar 2016. Het concept ‘ruimtebeslag’ is gedefinieerd in het Witboek en de Strategische Visie van het Beleidsplan Ruimte als dat deel van de ruimte waarin de biofysische functie niet langer de belangrijkste is. Het gaat, met andere woorden, over de ruimte die ingenomen worden door onze nederzettingen (dus voor huisvesting, industriële en commerciële doeleinden, transportinfrastructuur, recreatieve doeleinden en ook parken en tuinen). Deze definitie is gebaseerd op de definitie die de Europese Commissie hanteert voor ‘settlement area’ of ‘artificial land’, namelijk "the area of land used for housing, industrial and commercial purposes, health care, education, nursing infrastructure, roads and rail networks, recreation (parks and sports grounds), etc. In land use planning, it usually corresponds to all land uses beyond agriculture, semi-natural areas, forestry, and water bodies." (EC, 2012). Het ruimtebeslag , zoals hier samengesteld, is gebaseerd op de 4 niveaus van het 'landgebruiksbestand 2016'. Meer bepaald wordt het ruimtebeslag gedefinieerd door een combinatie van een aantal landgebruikscategorieën op de verschillende niveaus. Voor meer technische details over de totstandkoming van het onderliggende 'landgebruiksbestand' en over de gehanteerde methode van toewijzing tot de indicator 'ruimtebeslag' wordt verwezen naar het rapport 'Landgebruik en ruimtebeslag in Vlaanderen, toestand 2016' dat je terugvindt achter https://www.milieuinfo.be/dms/d/d/workspace/SpacesStore/56a309c7-504c-479e-853c-3e9d2d441425/landgebruik_ruimtebeslag_toestand2016.pdf

  • De 'Warmtekaart Vlaanderen' werd in opdracht van het Vlaams Energie Agentschap opgesteld ter uitvoering van de EU-Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie. De voornaamste producten zijn kaarten met warmtevraag en warmte-aanbod voor de huidige situatie (2012) en een kaart met kansrijke gebieden voor warmterecuperatie en warmtenetten in de toekomst, en dit beiden voor het grondgebied Vlaanderen. De studie werd uitgevoerd door VITO in samenwerking met de distributienetbeheerders Eandis en Infrax. Het bijhorende rapport kan u hier raadplegen: www.energiesparen.be/warmtekaart. -- De totale warmtevraag afkomstig van residentieel, tertiair, landbouw en kleine industrie (= niet-IMJV industrie) werd voor Vlaanderen in kaart gebracht. Deze is gebaseerd op gemeten aardgas- en elektriciteitsverbruiken zoals gekend door de distributienetbeheerders per individuele gebruiker voor het jaar 2012. Het gaat hier om warmtevraag voor ruimteverwarming en sanitair warm water. Voor meer achtergrondinformatie wordt verwezen naar het rapport. -- Dit onderdeel bevat drie kaartlagen: Titel (1) :Warmtevraag residentieel, tertiair, landbouw en kleine industrie (2012) Naam kaartlaag (1): er_wvrg_diff_tot_1200m_2012 Omschrijving (1): De warmtevraag van residentieel, tertiair, landbouw en kleine industrie (=niet-IMJV industrie) wordt weergegeven op een 1200 x 1200 m grid. Titel (2) :Warmtevraag kleine industrie (2012) Naam kaartlaag (2):er_wvrg_diff_ind_300m_2012 Omschrijving (2): De warmtevraag van de kleine industrie (=niet-IMJV industrie) werd gekarteerd op een 300 x 300 m grid. Wegens privacyredenen wordt de warmtevraag niet getoond indien minder dan 3 verbruikers binnen een gridcel aanwezig zijn. Deze uitval wordt enkel weergegeven op een 1200 x 1200m resolutie. Titel (3) :Warmtevraag residentieel, tertiair en landbouw (2012) Naam kaartlaag (3):er_wvrg_diff_geb_100m_2012 Omschrijving (3): De warmtevraag van residentieel, tertiair en landbouw werd gekarteerd op een 100 x 100 m grid. Wegens privacyredenen wordt de warmtevraag niet getoond indien minder dan 3 verbruikers binnen een gridcel aanwezig zijn. Deze uitval wordt enkel weergegeven op een 1200 x 1200m resolutie.

  • De gebouwenlaag van het GRB met hoogtegegevens (3D GRB) wordt hier als basisdata gebruikt (versie 2016). Per rastercel van 1ha wordt de gemiddelde hoogte van alle gebouwen binnen deze cel berekend, gewogen met de (grond)oppervlakte van de gebouwen.

  • Deze kaart geeft voor iedere locatie in het Vlaamse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan wat het totale basisvoorzieningenniveau is op een schaal van 0 tot 1, als gevolg van de berekening van de nabijheid (volgens welbepaalde parameters) van basisvoorzieningen en dit voor referentiejaar 2015. Basisvoorzieningen zijn voorzieningen die nodig zijn om het dagelijkse leven te organiseren en deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Voorbeelden zijn: een kleuter- en basisschool, kinderopvang, huisarts, apotheek, voedingswinkel, postpunt en (publieke) ontmoetingsruimten binnen en buiten. De berekening gaat uit van de ligging van de individuele basisvoorzieningen en vervolgens wordt uitgemaakt welke 1-ha-cellen binnen wandel- of fietsafstand gelegen zijn van de totaliteit van de basisvoorzieningen. In verschillende stappen worden (1) de basisvoorzieningen geaggregeerd tot een inhoudelijk-technisch verwerkbare set, (2) gewogen naargelang hun aantal in de nabije omgeving, en (3) afstandsgewogen gesommeerd. Om de basisvoorzieningen te selecteren en aggregeren werd in totaal rekening gehouden met 50 verschillende soorten voorzieningen , ingedeeld in vier types: onderwijs, cultuur en sport, zorg en woonondersteunende voorzieningen, . De voorzieningen in Brussel werden indien mogelijk aangevuld met informatie van het Agentschap Territoriale Ontwikkeling (ATO, 2010). Voor de volledige lijst met voorzieningen en de bijhorende bronnen, en voor meer details over de gehanteerde methode van de functies voor het afstandsverval, de aggregatie en de onderlinge weging wordt verwezen naar het eindrapport en het syntheserapport dat je terugvindt op https://www.ruimtelijkeordening.be/NL/Diensten/Onderzoek/Studies/articleType/ArticleView/articleId/8954

  • Deze kaart geeft voor iedere 1ha-locatie in het Vlaamse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan wat de totale score is voor knooppuntwaarde van het collectief vervoer, waarbij werd rekening gehouden met de knooppunten die deel uitmaken van het spoornetwerk (trein, tram, (pre)metro, sneltram, lightrail) en de A-bushaltes van De Lijn, en dit voor de bestaande knooppunten in referentiejaar 2015. Bij de berekening van de knooppuntwaarden wordt er ook gerekend met, of ten opzichte van, spoorwegstations in Wallonië die vanuit Vlaanderen of Brussel te bereiken zijn per spoor (waaronder bv. Luik of Namen), en met een selectie van spoorwegstations in het buitenland (met o.a. Paris Nord, London St-Pancras of Aachen). Eerst wordt de knooppuntwaarde van de individuele knooppunten berekend via een al dan niet gewogen aggregatie van een aantal deelindicatoren die in de gespecialiseerde literatuur omschreven staan. Nadien gebeurt de uitstraling van de knooppuntwaarde naar elke 1-ha cel in het Vlaamse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest via afstandsvervalfuncties, die weergeven hoe de knooppuntwaarde afneemt naarmate de reistijd tot het knooppunt toeneemt. Voor meer details over de gekozen knooppunten, de gebruikte deelindicatoren en de gehanteerde methode van de functies voor het afstandsverval wordt verwezen naar het eindrapport en het syntheserapport dat je terugvindt op https://www.ruimtelijkeordening.be/NL/Diensten/Onderzoek/Studies/articleType/ArticleView/articleId/8954

  • Deze synthesekaart kwam tot stand door de kruising van de totaalkaart van de voorzieningen (toestand 2015) en die van de knooppuntwaarde (toestand 2015 – met inbegrip van A-buslijnen). De totaalkaart met het voorzieningenniveau en de totaalkaart met de knooppuntwaarde werden elk in 4 categorieën opgedeeld aan de hand van ‘natural breaks’, volgens het algoritme van Jenks. Deze twee kaarten werden vervolgens met elkaar gekruist tot één synthesekaart, die finaal dus uit 16 categorieën van gebiedstypes bestaat. Het samenvoegen van de knooppuntwaarde en het voorzieningenniveau tot één synthesekaart is ook gebeurd op basis van de ‘natural breaks’ methode, die de grote meerwaarde heeft dat ze streeft naar een minimum verlies aan informatie wanneer de oorspronkelijke data vervangen wordt door een beperkt aantal types. De synthesekaart geeft dus de totale score op basis van knooppuntwaarde en voorzieningenniveau van iedere 1ha-locatie in het Vlaamse en Brusselse Gewest in verschillende categorieën, met als referentiejaar 2015. Zo kunnen er locaties worden afgebakend die goed voorzien zijn van collectief vervoer en op het vlak van hun voorzieningenniveau (in paarstinten, kwadrant A), locaties die onder de verwachtingen scoren wat betreft hun voorzieningenniveau (in roodtinten, kwadrant B), locaties waar het aanbod aan collectief vervoer beperkt is (in blauwtinten, kwadrant C) en locaties die beperkt scoren op beide kenmerken (in geelbruintinten, kwadrant D). Voor meer details over de methode van de totstandkoming van de onderliggende bestanden en van de combinatie en classificatie, en voor een samenvattende weergave van de legende wordt verwezen naar het eindrapport en het syntheserapport dat je terugvindt op https://www.ruimtelijkeordening.be/NL/Diensten/Onderzoek/Studies/articleType/ArticleView/articleId/8954 Uit de synthese kunnen locaties worden afgeleid met een hoge ontwikkelkans op basis van hun voorzieningenniveau of knooppuntwaarde. Er kan hieruit echter niet worden afgeleid of er in de praktijk nog ontwikkelkansen bestaan. Het is namelijk mogelijk dat er geen ruimte meer beschikbaar is voor verdere ontwikkelingen van bijvoorbeeld wonen en werken, of dat de draagkracht van een gebied al overschreden is zodat een verdere verdichting niet wenselijk is. Deze dataset is louter het resultaat van een onderzoekstudie. Ondanks de hoge onderzoeksmatige waarde heeft ze dus geen enkele beleidsmatige waarde (en zeker geen juridische waarde). Het departement Omgeving hanteert deze gegevens wel als input bij het uitwerken van afwegingskaders voor het operationaliseren van een locatiebeleid voor ruimtelijke ontwikkeling, waarbij echter nog heel wat andere elementen in de afweging worden meegenomen.

  • Deze kaartindicator toont per ha het aantal huishoudens die goed of zeer goed voorzien zijn van regionale voorzieningen op fietsafstand. De kaart met het niveau aan 'basisvoorzieningen per ha' wordt hiervoor in 4 categorieën verdeeld: matig, beperkt, goed en zeer goed voorzien. Enkel voor de gebieden die goed en zeer goed voorzien zijn, wordt de kaart van de huishoudens 2013 gebruikt en dus beperkt tot die gebieden. De huishoudens die beperkt of matig bediend worden door regionale voorzieningen worden bijgevolg niet getoond. Welke voorzieningen meegenomen werden om de regionale voorzieningen te definiëren kan teruggevonden worden in het eindrapport van de onderzoeksstudie: Verachtert, E., I. Mayeres, L. Poelmans, M. Van der Meulen, M. Vanhulsel, G. Engelen (2016), Ontwikkelingskansen op basis van knooppuntwaarde en nabijheid voorzieningen. Deze studie werd uitgevoerd door VITO in opdracht van Departement Ruimte Vlaanderen en gepubliceerd op 29-02-2016. Zie https://www.ruimtelijkeordening.be/NL/Diensten/Onderzoek/Studies/articleType/ArticleView/articleId/8954 Voor het bepalen van (een benadering van) het aantal huishoudens per ha werd gebruik gemaakt van de indicator 'huishoudensdichtheid per ha' die gecreëerd werd op de volgende manier. De dataset van de bevolking beschrijft aan de hand van een puntenbestand de locatie en het aantal inwoners per adres. Dit bestand (beta-versie) werd aangemaakt door Agentschap Informatie Vlaanderen (AIV) aan de hand van gegevens uit het Rijksregister (op datum van 2 maart 2013). De locaties werden bepaald door een geocodering van de adressen op basis van CRAB (versie 2013). Als proxy voor het aantal huishoudens werd het aantal adressen in de dataset gebruikt. .Op basis van het puntenbestand van het AIV werd in eerste instantie het aantal huishoudens per hectare berekend door de het aantal objecten in de adressendataset per hectare-cel te sommeren. De grootste uitschieters werden verwijderd uit de kaart. Voor meer details over deze indicator zie het rapport ‘indicatoren ruimtelijk rendement’ dat terug te vinden is onder: https://www.ruimtelijkeordening.be/NL/Diensten/Onderzoek/Studies/articleType/ArticleView/articleId/9077

  • De dataset van de bevolking beschrijft aan de hand van een puntenbestand de locatie en het aantal inwoners per adres. Dit bestand (beta-versie) werd aangemaakt door Agentschap Informatie Vlaanderen (AIV) aan de hand van gegevens uit het Rijksregister (op datum van 2 maart 2013). De locaties werden bepaald door een geocodering van de adressen op basis van CRAB (versie 2013). Als proxy voor het aantal huishoudens werd het aantal adressen in de dataset gebruikt. Ook hier werden dezelfde 9 grootste uitschieters verwijderd uit de kaart. Op basis van het puntenbestand van het AIV werd het aantal huishoudens per hectare berekend door het aantal objecten in de adressendataset per hectare-cel te sommeren. Voor meer details over deze indicator zie het rapport ‘indicatoren ruimtelijk rendement’ dat terug te vinden is onder: https://www.ruimtelijkeordening.be/NL/Diensten/Onderzoek/Studies/articleType/ArticleView/articleId/9077