From 1 - 6 / 6
  • De energiesector is de grootste verbruiker van water in Vlaanderen. Dit is bijna volledig op rekening te schrijven van het koelwaterverbruik. Het gros van dat koelwater wordt onttrokken aan oppervlaktewater (rivieren, kanalen etc.) en met een minimale chemische of fysische belasting na verbruik weer geloosd in het aangesproken waterreservoir. Toch verdient deze indicator een goede opvolging. De meeste klimaatscenario's voor Vlaanderen tonen immers een daling van de gemiddelde zomerneerslag. Dat kan de laagste rivierdebieten tijdens droge zomers met meer dan 50 % doen dalen tegen het einde van de 21ste eeuw, met kansen op ernstig watertekort. Deze indicator gaat per deelsector na in welke mate het (koel)waterverbruik varieert vanaf 2000.

  • Deze indicator vergelijkt de milieudruk van de energiesector (emissies en gebruik van water en energie) met een relevante activiteitsindicator (hoeveelheid geproduceerde energie bruikbaar voor eindgebruikers) van deze sector. Ontkoppeling treedt op wanneer de groeisnelheid van een drukindicator lager is dan de groeisnelheid van de activiteitsindicator. De ontkoppeling is absoluut als de drukindicator stagneert of daalt bij een groei van het activiteitsniveau. De ontkoppeling is relatief als de groei van de drukindicator positief is maar minder groot dan die van de activiteitsindicator. Enkel absolute ontkoppeling leidt tot winst voor het milieu.

  • Deze grafiek geeft de evolutie weer van het aandeel broeikasgasemissies onder ETS in Vlaanderen in de energiesector vanaf 2005.

  • Evolutie van de emissies naar lucht van As, Cd, Cr, Cu en Hg door de petroleumraffinaderijen.

  • Deze grafiek geeft de evolutie weer van de verzurende emissies van de energiesector (per polluent)

  • Deze indicator toont de emissies van ozonprecursoren door de energiesector, en dit zowel per deelsector als per stof (NMVOS, NOx, CO, CH4). Ozonprecusoren zijn stoffen die aanleiding geven tot de vorming van ozon in de omgevingslucht. Voorheen werden de emissies van deze ozonprecursoren gesommeerd en uitgedrukt in ton TOFP, dit aan de hand van wegingsfactoren voor omzetting naar ‘Troposferic Ozone Forming Potential’ (TOFP) (wegingsfactoren voor NMVOS 1; NOx 1,22; CH4 0,014 en CO 0,11). Uit recent onderzoek is echter gebleken dat het ozonvormend vermogen van de verschillende precursoren niet constant is en sterk kan verschillen naargelang de weersomstandigheden, de concentraties van andere precursoren, enz. Daarom worden de ozonprecursoren niet meer gesommeerd maar afzonderlijk beschouwd.