From 1 - 9 / 9
  • Weergave van de oplopende concentraties aan broeikasgassen in de mondiale atmosfeer weer sinds 1750, uitgedrukt als opwarmend vermogen of stralingsforcering.

  • Deze indicator omvat de directe broeikasgasemissies van huishoudens die gekoppeld zijn aan wonen. Dit zijn de broeikasgassen die rechtstreeks vrijkomen aan en in woningen. De directe broeikasgasemissies van personenvervoer worden niet meegenomen. Deze vallen onder de sector transport. Ook de indirecte emissies die ontstaan in de productie- en distributieketens van de energiedragers en de andere goederen en diensten die huishoudens gebruiken, worden niet meegenomen in deze indicator. De indicator omvat de emissies van koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), lachgas (N2O) en fluorkoolwaterstoffen (HFK's). Om de emissies van deze gassen met elkaar te kunnen vergelijken en op te tellen, worden ze uitgedrukt in kton CO2-equivalenten.

  • Deze grafiek geeft de evolutie weer van de totale uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen voor de periode vanaf 1990, opgesplitst tussen de fracties die wel en niet onder het Europees emissiehandelssysteem vallen (respectievelijk ETS en niet-ETS).

  • Deze indicator berekent per jaar de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en zware metalen per eenheid netto geproduceerde stroom in Vlaanderen. In tegenstelling tot de andere emissie-indicatoren wordt deze indicator niet beïnvloed door de hoeveelheid stroomproductie. Zo kunnen de resultaten van emissiereducerende maatregelen genomen door de stroomproducenten en de effecten van wijzigingen in het productiepark beter in beeld gebracht worden.

  • Deze indicator gaat na hoe de totale emissie van broeikasgassen evolueert over de jaren voor de sector transport. De volgende gassen die onder het Kyotoprotocol vallen zijn van belang voor transport: CO2, CH4, N2O, HFK's en PFK's. De verschillende broeikasgassen hebben een verschillend opwarmend effect, de som wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten. De indicator geeft naast de totale broeikasgasemissie door transport ook de bijdrage per broeikasgas en het aandeel per modus. De emissie van transport omvat de emissie van het wegverkeer, het spoor (enkel diesel), de binnenvaart, de binnenlandse zeescheepvaart en de luchtvaart. Overeenkomstig de Kyotoverplichtingen is dit enkel de binnenlandse luchtvaart, met naast het gebruik van vliegtuigbenzine ook een deel kerosine. Binnenlandse zeescheepvaart omvat alle trafiek van schepen die reizen tussen Vlaamse havens. Ook zandwinning op zee, baggeractiviteit en sleepboten vallen hieronder. In de huidige rapportering wordt ook de visserij inbegrepen bij de binnenlandse zeescheepvaart. Dit is een wijziging t.o.v. vorige MIRA-rapporteringen. De bron en de methodologie voor het bepalen van het aantal gereden kilometers door het wegverkeer, nodig voor de emissieberekening, wijzigde vanaf 2013. De FODMV leverde de data voor de periode 2000-2012, vanaf 2013 was dit het Vlaams Verkeerscentrum. De gewijzigde methodologie leidde tot een verminderde inschatting van het totaal aantal gereden kilometers met 1 %. De activiteit van de personenwagens werd lager ingeschat, vooral op landelijke wegen. Er werd wel meer zwaar vervoer ingeschat, vooral meer in steden/dorpen maar minder op snelwegen. Door deze wijzigingen zijn de emissies 2000-2012 dan ook niet volledig vergelijkbaar met die van de daaropvolgende jaren.

  • De landbouw draagt via de uitstoot van de broeikasgassen koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O) bij tot de mondiale klimaatverandering. Om die gassen met elkaar te vergelijken worden ze uitgedrukt in kton CO2-equivalenten (CO2-eq). Emissies ten gevolge van productie en transport van importgoederen gebruikt door de landbouwsector (bv. veevoeder), en emissies ten gevolge van landgebruik(veranderingen) worden hier niet meegerekend.

  • De indicator toont de evolutie van de broeikasgasuitstoot van de energiesector. Het gaat om de emissies die ontstaan bij de productie van elektriciteit en warmte, bij petroleumraffinaderijen, bij opslag, transport en distributie van brandstoffen, en bij de vroegere steenkoolwinning en cokesproductie. De elektriciteits- en warmteproductie omvat hier de conventionele thermische centrales en de warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK) die geëxploiteerd worden door of in samenwerking met de elektriciteitssector. Decentrale productie door zogenaamde zelfproducenten in de andere sectoren is niet meegenomen in deze indicator. Deze emissies worden gerapporteerd bij de betreffende sectoren (handel & diensten, industrie en landbouw).

  • Industriële activiteiten leiden tot de emissie van broeikasgassen door: de CO2-uitstoot (koolstofdioxide), zowel via energetisch als niet-energetisch energiegebruik (het gebruik van energiedragers als grondstof in een productieproces, bv. het gebruik van aardgas voor de productie van ammoniak); de N2O-uitstoot (lachgas), als gevolg van de salpeterzuur-en caprolactamproductie de F-gassen-uitstoot, voornamelijk door de koelsector waar HFK's steeds meer dienen als vervanging voor ozonafbrekende stoffen. De andere F-gassen zijn SF6, PFK's en NF3; de CH4-uitstoot (methaan), als gevolg van het storten van afval.

  • Deze grafiek geeft de evolutie weer van de totale uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen voor de periode 1990-2018, opgesplitst tussen de verschillende sectoren.