cl_maintenanceAndUpdateFrequency

irregular

14 record(s)
 
Type of resources
Metadata standard
standardName
Available actions
flanderskeyword
Provided by
status
Topics
Keywords
Contact for the resource
Years
Formats
Representation types
Update frequencies
Scale 1:
Resolution
INSPIRE themes
From 1 - 10 / 14
  • De kaart bevat een zo volledig mogelijke inventaris van in het landschap waarneembare grondverschuivingen in een studiegebied gelegen ten westen van Brussel, in het zuiden van de provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant. Het betreft zowel zeer oude, in het landschap geïntegreerde grondverschuivingen van post-glaciale oorsprong als relatief jonge grondverschuivingen waarvan de initiatiedatum (soms bij benadering) gekend is. De 'jonge' grondverschuivingen kunnen ontstaan zijn binnen een grotere, oude grondverschuiving (local reactivering) of op een onaangetaste (niet in het verleden door grondverschuiving aangetaste) locatie. De meeste grondverschuivngen zijn nog steeds onderhevig aan beweging, zichtbaar aan bijvoorbeeld scheefgestelde bomen. De kartering van de grondverschuivingen gebeurde door een combinatie van terreinprospectie en analyse van schaduwkaarten die werden afgeleid van het digitaal hoogtemodel op basis van laserscanning of LIDAR (Light Detection and Ranging; OC GIS-Vlaanderen, 2005).

  • Sinds meerdere decennia staat het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) in voor de aanleg, de selectie en het beheer van levende collecties van bomen en struiken. Deze collecties dienen een drievoudig doel, met name i. Uitgangsmateriaal ii. Proefpercelen en iii. Basiscollecties. Uitgangsmateriaal Bosbouwkundig uitgangsmateriaal omvat levende collecties van bomen en struiken die de basis vormen voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal zoals zaden, plantendelen en plantgoed. In toepassing van het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (3 oktober 2003) mag teeltmateriaal dat in de handel wordt gebracht enkel geoogst worden op erkend uitgangsmateriaal. Het erkend uitgangsmateriaal wordt als “toegelaten eenheid” met een unieke referentiecode ingeschreven in het Register van het Bosbouwkundig Uitgangsmateriaal dat door het INBO wordt bijgehouden. Proefpercelen In 1948 werd aan het INBO (toenmalig Instituut voor Populierenteelt) een selectie- en veredelingsprogramma rond populier uitgebouwd, gericht op voorbrengen van populierenklonen gekenmerkt door een hoge en kwalitatief hoogwaardige houtproductie. Vanaf de jaren ’80 werd dit veredelingsprogramma verder uitgebreid naar andere economisch belangrijke boomsoorten zoals wilg, boskers, gewone es, zwarte els, gewone esdoorn en wintereik. Ter ondersteuning van dit veredelingsonderzoek werden talloze veldproeven aangelegd waarin periodisch meerdere bosbouwkundig relevante kenmerken werden gemeten en geobserveerd (groeikracht, vorm, ziekteresistentie, fenologie). In het kader van de klimaatverandering worden sinds enkele jaren bijkomende veldproeven aangelegd. Doelstelling is het aanpassingsvermogen van boom- en struiksoorten in beeld te brengen door het uitvoeren van observaties in jaren met uiteenlopende klimatologische condities en in veldproeven aangelegd op sterk verschillende standplaatsen. Basiscollecties Aan het INBO worden sinds meer dan een halve eeuw basiscollecties aangelegd van diverse boom- en struiksoorten. Enerzijds vormden deze uiterst waardevolle collecties de basis van jarenlange veredelingsprogramma’s van economisch waardevolle boomsoorten met als einddoel de selectie of creatie van genetisch hoogwaardig uitgangsmateriaal. Anderzijds werden recenter meerdere collecties aangelegd in functie van het behoud van waardevolle (autochtone) genotypes en/of populaties van inheemse boom- en struiksoorten.

  • Het Vlaamse Fietsnetwerk wordt gevormd door het Bovenlokaal Functioneel Fietsroutenetwerk (BFF). Dit fietsroutenetwerk betreft een wensnetwerk: Bepaalde delen van het netwerk reeds zijn gerealiseerd, andere delen van dit netwerk dienen nog gerealiseerd te worden. Het BFF bestaat uit fietssnelwegen, hoofdroutes, functionele routes en alternatieve routes. Op dit netwerk sluiten ook lokale fietsroutes aan.

  • Een vaargeul is het deel van de (breedte van de) bodem van de vaarweg dat voor de scheepvaart door baggeren op een bepaalde minimale diepte gehouden moet worden. Deze vaargeul loopt vanaf de Noordzee door naar de Schelde tot aan Rupelmonde.

  • Een baggerzone is een zone waarbinnen werkzaamheden gebeuren die nodig zijn bij het weghalen van zand, slib en andere lagen van de waterbodem. Deze baggerzones liggen binnen de vaargeul op de Noordzee en de Schelde tot aan Rupelmonde.

  • Zones waar baggerspecie wordt gestort. In dit geval zijn de zones gesitueerd in de Noordzee en de Schelde tot aan Rupelmonde.

  • De gevoeligheidskaart voor grondverschuivingen geeft een eerste indicatie van de gevoeligheid voor grondverschuivingen op zeer lokaal niveau in een studiegebied gelegen ten westen van Brussel, in het zuiden van de provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant. Aan de basis van de kaart ligt een statisch model dat gebaseerd is op logistische regressie voor zeldzame gebeurtenissen. Deze procedure legt het statistisch verband tussen de ligging van de gekarteerde (op het terrein geïnventariseerde) grondverschuivingen en de mogelijke controlerende factoren. Het model werd toegepast in een GIS omgeving voor rasters van 10 m op 10 m en voorspelt de kans op het voorkomen van een grondverschuiving op basis van de hellingsgradiënt, de oriëntatie van de helling (NW, W, ZW en Z), en de aanwezigheid van bepaalde litho-stratigrafische formaties (de formatie van Gent, lid van Vlierzele en lid van Merelbeke, de formatie van Tielt en de formatie van Kortrijk, lid van Aalbeke). Initieel werd aan elk raster een kans op het voorkomen van grondverschuivingen toegekend. Deze kanswaarden (tussen 0 en 1) werden in 4 klassen onderverdeeld, resulterend in pixels met lage, matige, hoge en zeer hoge gevoeligheid. Het werken met klassegrenzen op zich impliceert dat twee dicht bij elkaar gelegen waarden in een verschillende klasse kunnen worden ingedeeld. Het model werd ontwikkeld voor de Vlaamse Ardennen, een deelgebied van het studiegebied, en nadien toegepast op het uitgebreide studiegebied met dezelfde geologische en topografische kenmerken.

  • Deze kaart geeft aan of er om advies moet verzocht worden bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een constructie die omwille van haar hoogte een invloed kan hebben op de luchtvaart: als de geplande constructie de op de kaart aangegeven hoogte overschrijdt, moet aan Het Directoraat-Generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer om advies gevraagd worden.De hoogte aangegeven op de kaart, wordt bepaald door de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, rekening houdend met het gezamenlijk voorstel van de federale ministers bevoegd voor de Luchtvaart en Defensie. Deze hoogte wordt per gemeente of per duidelijk omschreven gebied bepaald teneinde de burgerlijke en militaire luchtvaartterreinen, de visuele luchtvaartroutes, de militaire luchtvaartzones en de burgerlijke en militaire luchtvaartinstallaties voor communicatie, navigatie en toezicht (CNS) te beschermen.(Artikel 35, §16 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. (B.S. 2016-02-23; NUMAC: 2016035143)) Deze kaart werd bij MB goedgekeurd door de Vlaamse minister en treedt in werking op 1 april 2020.

  • Deze kaart geeft aan of er om advies moet verzocht worden bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een constructie die omwille van haar hoogte een invloed kan hebben op de luchtvaart: als de geplande constructie de op de kaart aangegeven hoogte overschrijdt, moet aan Het Directoraat-Generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer om advies gevraagd worden.De hoogte aangegeven op de kaart, wordt bepaald door de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, rekening houdend met het gezamenlijk voorstel van de federale ministers bevoegd voor de Luchtvaart en Defensie. Deze hoogte wordt per gemeente of per duidelijk omschreven gebied bepaald teneinde de burgerlijke en militaire luchtvaartterreinen, de visuele luchtvaartroutes, de militaire luchtvaartzones en de burgerlijke en militaire luchtvaartinstallaties voor communicatie, navigatie en toezicht (CNS) te beschermen.(Artikel 35, §16 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. (B.S. 2016-02-23; NUMAC: 2016035143)) Huidig geldende versie van de luchtvaartadvieskaart Vlaanderen.

  • Deze kaart geeft aan of er om advies moet verzocht worden bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een constructie die omwille van haar hoogte een invloed kan hebben op de luchtvaart: als de geplande constructie de op de kaart aangegeven hoogte overschrijdt, moet aan Het Directoraat-Generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer om advies gevraagd worden.De hoogte aangegeven op de kaart, wordt bepaald door de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, rekening houdend met het gezamenlijk voorstel van de federale ministers bevoegd voor de Luchtvaart en Defensie. Deze hoogte wordt per gemeente of per duidelijk omschreven gebied bepaald teneinde de burgerlijke en militaire luchtvaartterreinen, de visuele luchtvaartroutes, de militaire luchtvaartzones en de burgerlijke en militaire luchtvaartinstallaties voor communicatie, navigatie en toezicht (CNS) te beschermen.(Artikel 35, §16 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. (B.S. 2016-02-23; NUMAC: 2016035143)) Deze kaart werd bij MB goedgekeurd door de Vlaamse minister en treedt in werking op 1 april 2019.